LES 1
Varen en Manoeuvreren

Lees Hoofdstuk II bladzijde. 53 t/m 95

WIELEFFECT
Vooruitvaren

Bij een rechtsdraaiende schroef wordt, bij het vooruitvaren, het achterschip naar rechts
(stuurboord) geduwd. De boot heeft bij het vooruitvaren een lichte afwijking naar bakboord.

Bij een linksdraaiende schroef wordt, bij het vooruitvaren, het achterschip naar links
(bakboord) geduwd. De boot heeft bij het vooruitvaren een lichte afwijking naar stuurboord.

Achteruitvaren

Bij het achteruitvaren is de invloed van het wieleffect veel groter dan bij het vooruitvaren:

rechtse schroef, draait linksom als we achteruit varen; het achterschip gaat naar bakboord;

linkse schroef, draait rechtsom als we achteruit varen; het achterschip gaat naar stuurboord.

Afmeren

Hierbij kan, als er geen stroom of wind is, het wieleffect nuttig worden gebruikt.
Bij het afmeren zetten we de schroef in zijn achteruit om stil te komen liggen,daarbij gebeurt het volgende:

rechtse schroef:bakboordswal; het achterschip trekt naar bakboord (naar de wal);

linkse schroef. stuurboordswal; het achterschip trekt naar stuurboord (naar de wal).

Keren

Bij het draaien van korte bochten zal de draaicirkel wel beïnvloed worden door het wieleffect:

rechtse schroef'. bocht over bakboord het kortst (begin de draai bij de SB-wal);

linkse schroef: bocht over stuurboord het kortst (begin de draai bij de BB-wal).Bij ronddraaien in een nauw vaarwater waar we niet in een keer rond kunnen:

rechtse schroef:     aan BB wal beginnen;

linkse schroef:      aan SB wal beginnen;

omdat achteruitslaand aan de overzijde het wieleffect vele malen groter is dan vooruitvarend tijdens de draai. Het wieleffect ondersteunt dus de draai.                    

     Draaipunt

Bij de meeste schepen ligt het draaipunt op eenderde van de scheepslengte van voren

bb-roer. achterschip naar stuurboord;

sb-roer. achterschip naar bakboord;

Let dus bij het draaien van het schip, vooral in nauw vaarwater, op het uitzwaaien van het achterschip.

 

AFVAREN EN AANKOMEN
Begrippen

Voortros:         lijn van voorkant schip naar voren;

Voorspring:       lijn van voorkant schip naar achter;

Achtertros:       lijn van achterkant schip naar       achter;

Achterspring:     lijn van achterkant schip naar voren;

Hogerwal:         de wal waar de wind vandaan komt;

Lagerwal:         de wal waar de wind naar toe waait;

Loefzijde:        de zijde van het schip waar de wind                                           tegen aan waait;

Lijzijde:          de zijde van het schip waar de wind vanaf waait.

Alle manoeuvres op stromend water die te maken hebben met aankomen, afvaren,alsook ankeren, worden het beste uitgevoerd met de kop tegen de stroom in.

Aankomen

Als dat mogelijk is altijd tegen de stroom of wind in aankomen:

met stroom of wind tegen maken we eerst de voorkant van het schip vast met behulp van de voortros;

aan hogerwal aankomen doen we op de voorspring,

met stroom of wind van achter maken we eerst de achterkant van het schip vast met behulp van de achtertros.

Afvaren(wegvaren), Vooruit of achteruit afvaren? Vooruit:

zonder wind of stroom;

bij wind en/of stroom van voren;

bij hoge wal.

 

Achteruit:

bij wind en/of stroom van achter,

bij lage wal.

      

 

 

 

Welke lijn maken we bij het afvaren het LAATST los????
VOORUIT WEGVAREN :      ACHTERSPRING
ACHTERUIT WEGVAREN:     VOORSPRING

Ankeren op: stilstaand of stromend water

Altijd tegen wind of stroom in.

Als het schip achteruit begint te varen (deinzen) t.o.v. de bodem: anker laten vallen.

Controleer of het anker houdt d.m.v. een ankerpeiling.

Als het anker krabt (niet houdt), meer ankerketting of lijn steken.

Als het schip door veel wind teveel gaat gieren een tweede anker uitzetten onder een hoek met het eerste en op een wat kortere lijn.

MOB (Man Over Boord)

De beste manoeuvre voor een motorjacht om een drenkeling op te pikken is:

- de drenkeling dwars bovenwinds naderen;

- schip naast hem/haar stilleggen;

- schroef stoppen;

- zonodig motor afzetten en

- de drenkeling aan boord nemen.Deze manoeuvre is op stromend water hetzelfde als op stilstaand water als zowel het schip als de drenkeling zich in de hoofdstroom bevinden.

SLUIS

Bij het schutten in een sluis beleggen we een tros op een bolder aan boord, vervolgens
geleiden we de tros via een bolder op de sluis terug aan boord en houden we het uiteinde in de hand.
Dit noemen we een sliptros.
We doen dit in alle gevallen (zowel bij dalen als bij stijgen).Als bij het binnenvaren in een sluis de wind of de stroom van achteren inkomt, leggen we het schip
eerst achter vast met behulp van een achtertros.

Slepen en gesleept worden:

het gesleepte schip moet in bochten naar buiten sturen;

bij rustig weer is het aan te bevelen te slepen met twee, niet te lange, gekruiste sleeptrossen;

op ruim, woelig water gebeurt dit bij voorkeur met behulp van een lange tros.

ZUIGING

In smal en ondiep water kan het schip onbestuurbaar worden.
Oplossing: vaart minderen!Bij voorbijvaren (tegemoetkomen) worden (diepgeladen) schepen van elkaar weggeduwd.

Bij voorbijlopen (inhalen) worden dergelijke schepen naar elkaar toe getrokken.

DODE HOEK

Hieronder wordt verstaan het gedeelte van het vaarwater voor de boeg van een
binnenschip dat door de schipper vanuit zijn stuurhut niet kan worden overzien.
We moeten er altijd voor zorgen niet in de "dode hoek" van een oplopend schip terecht
te komen door regelmatig achterom te kijken en er voor te zorgen dat we de stuurhut van het binnenschip blijven zien.

LAVEREN

Een zeilschip moet in een kanaal laveren als de wind van voren komt.

De niet bezeilde sector van zeilschepen is ongeveer een hoek van 45° aan beide zijden

ten opzichte van de windrichting. De totale niet-bezeilde sector is dus circa 90 °.

Maak nu de vragen 1 t/m 20 van HoofdstukII)!

Extra vragen:LES 1 extra oefenvragen