Naam:





1. Het BPR

Dit is ondermeer van kracht op:

A. Waal

B. Noord

C. Westerschelde




2. Artikel 1.01 bpr
Een lange stoot is een geluidssignaal,
dat ongeveer duurt:

A. zes seconden

B. vier seconden

C. twee seconden




3. Artikel 3.09 bpr
Een motorschip voert drie loodrecht boven elkaar geplaatste toplichten.
Dit betekent dat:

A. twee of meer motorschepen een ander motorschip assisteren

B. de sleep is langer dan 110 m.

C. het motorschip sleept meer dan een schip in kiellinie




4. Artikel 3.20 bpr
Een ten anker liggend klein schip,
moet 's nachts voeren:

A. twee rondom schijnende lichten, n op het voorschip en n op het achterschip

B. n rondom schijnend wit licht op het voorschip op een hoogte van 4 m.

C. n rondom schijnend wit licht, daar waar dit het beste gezien kan worden




5. Artikel 6.03 BPR
Als een schip, dat voorrang moet verlenen alleen een aanvaring niet meer kan voorkomen,
dan moet(en) volgens de voorschriften:

A. beide schepen naar stuurboord uitwijken om elkaar bakboord op bakboord voorbij te lopen

B. het schip, dat voorrang moet verlenen een attentiesein geven

C. het schip, dat geen voorrang hoeft te verlenen eveneens maatregelen nemen, die tot voorkoming van een aanvaring kunnen bijdragen




6. Artikel 6.04 BPR De schepen x en y sturen recht tegen elkaar in.Er bestaat gevaar voor aanvaring. Wie moet voorrang verlenen?


A. schip x, omdat het een klein schip is

B. schip x, omdat dit beter kan manoeuvreren

C. beide schepen dienen naaar stuurboord uit te wijken




7. Artikel 6.16 BPR Een groot motorschip vaart in het midden van een lateraal betonde vaargeul. Van bakboord nadert van buiten de vaargeul een groot zeilschip. Er bestaat gevaar voor aanvaring.Wie moet in deze situatie voorrang verlenen?


A. het grote zeilschip, want het motorschip nadert van stuurboord

B. het grote motorschip, want deze volgt niet zijn stuurboordzijde in de betonde geul

C. het grote motorschip, want motor wijkt voor zeil




8. Art.3.15/6.17 BPR
Twee zeilschepen van ongeveer 17 meter lengte naderen elkaar
op kruisende koersen. Ten opzichte van zeilschip Y nadert
zeilschip X van bakboord, vaart over stuurboordboeg en voert
een gele ruit. Zeilschip Y vaart over bakboordboeg
Wie moet voorrang verlenen?

A. zeilschip X, want een zeilschip met de zeilen over stuurboord geeft voorrang aan
een zeilschip met de zeilen over bakboord

B. zeilschip Y, want zeilschip X is een passagiersschip

C. zeilschip X, want zeilschip Y nadert van zijn stuurboord zijde




9. Artikel 4.01 BPR
Grote motorschepen moeten gelijktijdig met een geluidssein,
niet zijnde klokslagen,
tonen een:

A. wit rondom schijnend lichtsein

B. wit flikkerlicht

C. geel helder rondom schijnend lichtsein




10. Artikel 4,05 BPR
In het tweede lid van dit artikel staat ondermeer omschreven dat
over bepaalde marifoonkanalen geen andere mededelingen
mogen worden gedaan dan die voorgeschreven in het BPR, dan
wel uitsluitend mededelingen mogen worden gedaan die in het
belang zijn van de veiligheid van de scheepvaart of van
personen aan boord.
Dit geldt:

A. voor alle grote en kleine schepen die zijn uitgerust met een marifoon

B. alleen voor grote schepen omdat die verplicht moeten zijn uitgerust met een
marifoon (marifoonplicht)

C. niet voor kleine schepen uitgerust met een marifoon omdat er voor kleine
schepen geen marifoonplicht geldt




11. Artikel 8.04 BPR
Dit artikel stelt wie in eerste instantie verantwoordelijk is voor
de naleving van de inrichtingsvoorschriften van een snelle
motorboot.
Wie is deze verantwoordelijke?

A. de leverancier

B. de eigenaar op wiens naam het registratiebewijs staat

C. de bestuurder (niet eigenaar) die met de snelle motorboot vaart




12. HET RIJNVAARTPOLITIEREGLEMENT (R.P.R.)
Artikel 6.07 RPR
Door de hiernaast getekende engte is gelijktijdige doorvaart niet
mogelijk.
Wie moet bij doorvaart van deze engte de weg vrijlaten?

A. schip X, omdat het vr stroom vaart

B. schip X, omdat het een klein schip is

C. schip Y, omdat het tegen stroom vaart




13. BINNENSCHEPENWET / WETBOEK VAN KOOPHANDEL
Binnenschepenwet (BSW)
Artikel 24
Aan een watersporter van 25 jaar wordt een klein vaarbewijs
verstrekt.
Dit vaarbewijs is geldig:

A. gedurende 5 jaren

B. tot zijn/haar 70e jaar

C. onbeperkt




14. B. DE BEHANDELING VAN DE VOORTSTUWINGSWERKTUIGEN; DE
VEILIGHEIDSMAATREGELEN

Het vloeistofniveau van een niet onderhoudsvrije accu moet op
peil gehouden worden,
door het zonodig bijvullen met:

A. gekookt water

B. accuzuur

C. gedestilleerd water




15. Een wierfilter dient,
om:

A. te voorkomen dat vuil in het koelsysteem raakt

B. het water in een 'gesloten' koelsysteem te filteren

C. vuil uit de smeerolie te filteren




16. Wat zijn de belangrijkste vermeldingen op een blusapparaat,
waar bij aanschaf op gelet dient te worden?
Dit is of:

A. de naam van de importeur en /of fabrikant is vermeld

B. het gewicht van de drukhouder

C. het apparaat een rijkskeurmerk draagt en typegoedgekeurd is




17. De beste plaats voor de bediening van een (hand)lenspomp is:

A. bij de kajuittrap

B. in de navigatiehoek

C. buiten in de kuip




18. Parachutelichten worden aan boord gebruikt,
als:

A. a. sein dat men niet kan manoeuvreren

B. b. aandachtsein

C. c. noodsein




19. C. DE WATERWEGEN. DE OMSTANDIGHEDEN VAN HET VAARWATER,
ELEMENTAIRE METEOROLOGIE



U ziet in het Signi-betonnings-systeem deze (rood/witte)
markering.
Deze wordt gebruikt om:

A. ankerplaatsen aan te geven

B. wachtplaatsen aan te geven

C. een positie aan te geven waar rondom veilig gevaren kan worden, ("midden
vaarwaterboei")




20. Een Isofase-licht (Iso) is een licht:

A. a. waarvan het schijnsel langer is dan de verduistering

B. b. dat vast is

C. c. waarvan het schijnsel even lang is als de verduistering




21. BPR bijlage 7
U ziet het hiernaast afgebeelde teken.
l Wat is de betekenis van dit teken?

A. a. einde scheiding van twee vaarwateren

B. b. beperkte doorvaarthoogte

C. c. beperkte waterdiepte




22. U vaart op een kanaal en ziet dat u een vaste brug nadert. Op de
waterkaart staat bij de brug: H 36, brughoogten in decimeters
boven kanaalpeil. KP = NAP - 4 dm. De hoogte van uw schip is
30 dm boven water. Bij de brug is een peilschaal aangebracht
waarop u afleest; waterniveau in kanaal is NAP - l dm.
Hoeveel dm speling heeft u onder deze brug bij onderdoorvaart?

A. a. 9 dm

B. b. 6 dm

C. c. 3 dm




23. De windrichting draait met de wijzers van de klok mee.
Dit wordt genoemd een;

A. a. toenemende wind

B. b. krimpende wind

C. c. ruimende wind2




24. u leest op de barometer af dat de luchtdruk geleidelijk
toeneemt van 1020 hPa naar 1040 hPa.
Dit geeft aan:

A. a. de nadering of ontstaan van een hogedrukgebied

B. b. de nadering of ontstaan van een lagedrukgebied

C. c. de nadering van slecht weer




25. D. HET VAREN EN MANOEUVREREN, DE ONDER BIJZONDERE
OMSTANDIGHEDEN TE NEMEN MAATREGELEN
Uw schip is uitgerust met een rechtse schroef. Het is windstil
en u wilt recht achteruit varen.
U zult daartoe:

A. a. het roer midscheeps moeten houden

B. b. bakboord roer moeten geven

C. c. stuurboord roer moeten geven




26. Uw schip heeft een linkse schroef. Er staat geen wind en/of
stroom.
Met welke kant van uw schip komt u bij voorkeur bij de kade aan?

A. bakboordzij de

B. stuurboord zijde

C. geen voorkeur




27. Een klein motorschip ligt afgemeerd aan de kade. (voortros,
voorspring, achterspring, achtertros). De wind komt van
achteren in.
Welke 3 lijnen maakt u bij voorkeur het eerst los als uitgangspunt voor uw
afvaarmanoeuvre?

A. a. voortros, achterspring en achtertros

B. b. voortros, voorspring en achterspring

C. c. voorspring, achtertros en voortros




28. Alle manoeuvres op stromend water die te maken hebben met
aankomen, afvaren, als ook ankeren,
worden het beste:

A. a. uitgevoerd als de manoeuvres op stilstaand water

B. b. met de kop in de stroomrichting uitgevoerd (voorstrooms)

C. c. met de kop tegen de stroom in uitgevoerd (tegenstrooms)




29. Om ten anker liggende vast te stellen of het anker nog steeds
goed houdt, dus niet heeft gekrabd,
moet regelmatig:

A. a. worden nagegaan of de ankerlij n/ketting strak staat

B. b. de diepte met het lood ofdieptemeter worden gecontroleerd

C. c. de ankerpeiling worden gecontroleerd




30. Een zeilschip moet in een smal vaarwater laveren,
indien:

A. a. de wind van opzij komt

B. b. de wind van achteren komt

C. c. de wind van voren komt